"Ayla had een dis", zegt mijn dochter als ik vraag hoe haar schooldag was.
"Een wat?", vraag ik. In gedachten zie ik witte jassen een bleek kind afvoeren en een schattig reptieltje, geplukt uit de haag, gevangen in een terrarium. Een gedekte tafel met wit damast en zilveren bestek zal wel niet bedoeld zijn, neem ik zomaar aan.
"Een DIS", zegt mijn dochter nog eens extra duidelijk, alsof ik doof ben.
"Wat is een dis?"
"Weet ik niet. Maar Jasper zei het."
Ik snap er nog niks van en vraag wat er aan die uitspraak vooraf ging.
"Jasper had een grap gemaakt tegen Ayla. En Ayla wist niks terug te zeggen. Toen zei Jasper: 'Haha, nou heb je een dis.'"
Op internet vind ik 'dissen' als jongerentaal voor 'iemand op zijn nummer zetten'. Een dis is dus waarschijnlijk zoiets als met je mond vol tanden staan, en waarschijnlijk een verre afstammeling voor dagelijks gebruik van het veel ernstiger 'dissociatie'.
Toch best wel een beetje keileuk, weetjewel, die jongerentaal. Vooral dat je al gelijk achterloopt waar je bijstaat. Dat keigoed niet meer kon, wist ik al, maar dat ook vetcool en relaxt uit de mode waren, dat was me nog ontgaan. En waar is duh! gebleven?
Samen met mijn dochter diep ik de termen uit mijn jeugd op. Na diep graven vind ik er een paar. Psychedelisch (sticker op mijn agenda die uitgelegd moest worden door een grote broer), hip, tof, goozer, nozem, mazzel, woeps, gaaf (die kreeg recent herkansing), daas, noppes, weetjewel dus en best wel, maar verder kom ik niet. Wie van de oudjes helpt me?
Wie niet dagelijks op het schoolplein staat en een beetje bij wil raken kan hier een hedendaagse woordenlijst vinden.
Nou doehoei!